Een band met de Mont Blanc

Het was een geroezemoes van vreemde talen om me heen. En het begon net te wennen, zo’n internationaal gezelschap bijeen aan het meer van Genève. Een Canadees die er woonde bood mij een whisky aan, wat de stemming verhoogde.

Midden in mijn verhaal, ik weet niet meer waarover, opende de deur zich geluidloos en een stem zei dat er telefoon voor mij was. Het was belangrijk en dan schrik je toch even. Wat zal het zijn? Niet: wat zou er zijn, want in die modus sta ik niet doorgaans.  De stem van een oude bekende – in geen jaren gezien – die hoog in de bergen aan het meer bleek te wonen. “Ik stuur zo meteen een auto om je te halen. Long time no see, you know.” Hij had knap ingeschat dat we zo wel klaar zouden zijn.

Na een rit van een klein uur zwenkte de auto de oprijlaan van een fraai optrekje in. Met een formidabel uitzicht op de berg aan de overzijde, de Mont Blanc. Zijn vaste overkant. We wisselden veel herinneringen en ervaringen uit, die gedenkwaardige avond. Er rijdt immers niet elke avond een taxi als uit het ongerijmde je leven binnen, bedacht ik met een glimlach. Het bleek dat we heel veel van elkaar niet wisten. Zeg maar de achterkant van zijn gelijk. Het werd een mooie avond, om niet meer te vergeten. Met aan de overkant van het meer het imposante bergmassief van de Mont Blanc die je aankijkt met zijn altijd witte hoed van eeuwige sneeuw. Ik heb er iets mee, een soort band, zei hij. Kom je daar wel eens aan de overkant? vroeg ik. Eigenlijk niet, aarzelde hij diep nadenkend. Nee, het is een plek waar je nooit komt. En ik vergat toen hem eraan te herinneren dat volgens zijn eigen zeggen de kerk een gemeenschap is die niet bestaat als je er nooit komt. Nee, die avond die zal ik niet vergeten.

Het was nacht toen de auto in het knerpende grind zich van mij in het duister verwijderde, toen hij mij weer terug had gebracht in het conferentieoord. Twilight zone. Het was alsof in het duister alles even stil viel. Pas op de plaats. Werk in uitvoering. Vide – welkome open plek. Dagsluiting. En meebewegen met die intuïtie die als een bliksemschicht de eerste woorden wekt voor de ochtend van een nieuwe dag. “Onmogelijk te zeggen wat wij ervaren. De dag doet sprake toestromen aan de dag en de nacht predikt kennis aan de nacht. Het is om ons heen en het gaat ons te boven, een weten dat het universum vervult.” (Psalm19 / Marijke de Bruijne). Doodgewoon, als een soort ingeving van ver voor dag en dauw. Zoals een feest, dat bij zonsondergang begint en niet bij zonsopgang. Speelruimte die zich vrij beweegt. Heilig uur van onbevangenheid. Tot leven gewekt, zoals het graan op de akker, dat rijpt terwijl de boer slaapt.

In onze beelden is de berg het eigendom van de bergbeklimmers – die kennen de Mont Blanc als geen ander. Zo lìjkt ook de kerk het eigendom van degenen die er komen.  Maar de taxi die inbrak in mijn bestaan die avond, is zelf het levende bewijs dat er banden bestaan die diep gaan, die ook bestaan als je ergens nooit komt. Zoals die man die ik tegenkwam in de tram en die zei: ik ben dan wel geen lid van uw kerk maar ’s zondags bij het opstaan denk ik altijd even aan jullie daar in die kerk. Want dan weet ik dat de stilte nog steeds wordt gekoesterd en bewaard in deze drukke wereld.

Zelf denk ik ook vaak in de omgekeerde richting: dat je eigen hart ligt ook bij wie er nìet zijn. Mystieke spagaat van religieuze onthouding: zowel je zelf thuis voelen in een gemeenschap als met je hart zijn bij wie er niet is. Dat maakt een kerk bescheiden en sterk tegelijk. Het is het halve werk, en niet het laatste woord.

In de verhalen van de bijbel komen we de figuur tegen van de joodse opinieleider Nicodemus. Op afstand ziet hij zelf wel iets in Jezus, want die breekt het ijs van zijn ziel. Hij hoort echter bij een partij die niet veel met Jezus op heeft. Daar sprak men in godsnaam niet over. Maar Nicodemus speelt voor zijn gevoel al jaren Memory en hij verlangt naar een avondje Risk met Jezus.

Hij bezoekt hem ’s nachts, als niemand het ziet. Want hij zit bij wijze van spreken elke avond bij Pauw en Witteman aan tafel, zijn reputatie staat op het spel en dus mag het morgen beslist niet in de krant.

Honger heeft een even reële verhouding tot het voedsel als het eten ervan zelf, schrijft Simone Weil ergens, diepzinnig en relativerend. Het bezit van iets kan het verlangen ernaar in de weg staan.

Nicodemus vertrouwt zichzelf niet meer. En dat hij dit wil delen – hij zet alles wat hij bereikt heeft op het spel voor een veel dieper verlangen –  dat maakt hem nu juist zo betrouwbaar.

De moeite nemen en het aandurven zijn eigen kwetsbaarheid te laten zien – een doorverteld geheim dat sporen nalaat.

Zoals bij ons wanneer wij ons kwetsbaar maken in kerken, relaties en verbanden waartoe wij behoren. Dit raakt aan wat eeuwig en onkenbaar is.

Misschien neemt de Mont Blanc alleen voor die gemeenschappen van ons die niet tevéel in zichzelf geloven uiteindelijk wel zijn eigen wijze witte hoed af. Wanneer wij ons kwetsbaar tonen naar elkaar; ik mijn stem en mijn tegenstem laat klinken – de berg van mijn ziel. Bij dag en bij nacht. Heilig moment voor wie het herkent.

Foto: Nicolas Sanchez/Wikimedia Commons

Heine Siebrand
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *