Doperscafé: Twan Huys

In de editie van het Doperscafé van 24 april, vertelt journalist Twan Huys over zijn zoektocht naar geluk. Kun je het een ander kwalijk nemen gelukszoeker te zijn? Moet je eerst in de hel geweest zijn om te kunnen nadenken over wat geluk eigenlijk is? Is geluk iets dat je verdient of dat je gegund wordt? Gespreksleider Thijs Broer gaat hierover met Twan Huys in gesprek.

Geluk door afzondering

Waarom schreef Twan Huys Over Geluk waarin hij op zoek gaat naar wat geluk is? Huys legt uit dat hij, juist door zijn werk als correspondent, zich afvraagt hoe het toch mogelijk is dat hij vrij is om te gaan en staan waar hij maar wil met een Nederlands paspoort, om te mogen doen en laten wat hij wil. Geconfronteerd met een gebrek aan vrijheid die hij bij mensen elders, in het buitenland, treft, vraagt hij zich af waarom hem dat gegund is.

Bij deze zoektocht heeft hij zich laten leiden door de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau, die, zoals de interviewer Thijs Broer het formuleert, “zijn gelukkigste tijd heeft beleeft op een meer in Zwitserland waar hij een paar maanden op een eiland woonde.” Huys merkt op dat Rousseau een zeer ongelukkig man was. De isolatie van het eiland maakte hem gelukkig: afgezonderd in natuur, weg van al zijn vijanden.

Het is een interessant startpunt voor de zoektocht van Huys naar wat geluk werkelijk is. Het zal uiteindelijk blijken toch niet het soort geluk te zijn waar Huys zelf op uit is.

Het katholieke geloof

Huys verteld ook over zijn katholieke achtergrond. Hij vertelt over hoe zijn ouders altijd kritisch waren ten opzichte van de organisatie van de kerk, maar wel altijd lid zijn gebleven, met hart voor het geloof. “Zij hebben zich op een stilzwijgende manier tegen de kerk gekeerd,” zo verwoordt Huys het. Huys moest zelf wel van zijn ouders mee naar de kerk, maar zijn huidige relatie met de kerk is ambivalent.

Hij is geen trouwe kerkganger meer, maar hij legt wel uit dat het geloof “onder de huid” zit. Hij is nog wel ingeschreven bij de katholieke kerk. Hij beschrijft ook “een raar soort magneet achtige werking” als hij een Katholieke kerk in het buitenland treft. Hij vertelt ook dat hij met zijn twee kinderen iedere avond bidt, naar het voorbeeld van zijn vader. Hij beschrijft het tegelijkertijd wel als “een soort meditatie.” Hij benadrukt toch wel: “Het is niet omdat ik in die kerk geloof, helemaal niet, maar ik heb dat toch meegenomen, het zit in mij.”

Hemel en hel

Broer haalt een passage uit het boek van Huys aan waarin hij schrijft: “Misschien moet ik voordat ik opstijg naar de hemel eerst afdalen in de hel.” Als journalist in oorlogsgebieden heeft hij ook de hel mogen aanschouwen. Een zeer aangrijpend verhaal is dat hij in Jakarta een ruimte inloopt waar mensen in een conflictsituatie met opzet zijn verbrand, en hij loopt door “driehonderd verkoolde lichamen.” Hoewel Huys wel vertelt er nu goed mee om te kunnen gaan – “Ik slaap er niet slecht van” – zijn dat wel ervaringen die hem als gruwelijk bijblijven en hem oog in oog met een helse werkelijkheid brengen.

Het kan hem doen beseffen dat geluk en ongeluk heel dicht bij elkaar liggen. Huys beschrijft een schilderij van Edward Burne-Jones dat hangt in het Musée d’Orsay van vrouwe Fortuna met een wiel, hetwheel of fortune. Huys vertelt dat hij zich niet realiseerde dat vrouwe Fortuna geluk én ongeluk laat zien. Op het schilderij laat het wiel zien: “beneden is ongeluk, boven is geluk.” Het doet Huys vermoeden dat “Het een kan niet zonder het ander. Daarom moeten we ook eerst afdalen in de hel om uit te zoeken wat daar gebeurt voordat je je kunt afvragen: wat is dan geluk?”

The Wheel of Fortune door Edward Burne-Jones in het Musée d’Orsay (bron: wikicommons).

Iedereen gelukzoeker

Huys beschrijft dat hij gecharmeerd is van het feit dat gelukzoeken in de Verenigde Staten als een grondrecht voorgesteld wordt: the pursuit of happiness. Hij beschrijft dat hij ook zelf op zoek is naar geluk. Het is toch iets waar vaak met een scheef oog naar wordt gekeken. Maar wat is er eigenlijk mis mee? Waarom zou het slecht zijn om het geluk op te zoeken? Waarom zou je het ook een vluchteling kwalijk nemen?

Misschien is het wel niet zozeer dat ze geluk zoeken, maar dat ze het ongeluk willen ontvluchten. Veel vluchtelingen zullen waarschijnlijk zeggen “we kunnen niet anders,” als je ze zou vragen waarom ze hier in Nederland zouden willen wonen. In een land als Libanon zouden ze niet kunnen blijven, en in Egypte zouden ze met acuut levensgevaar geconfronteerd worden. Het is niet zozeer dat ze hier zo graag heen willen, ze hebben misschien wel gewoonweg geen keus.

Huys spreekt zich gepassioneerd over het lot van deze vluchtelingen, en dat is ook de tegenhanger van een afstand die je moet opbouwen voor het lot van anderen om je werk als journalist te kunnen doen. Eerder beschrijft hij van voorvallen niet ’s nachts wakker te liggen, helemaal los laat het hem toch niet. Hij beschrijft: “Het probleem is: als je dat gezien hebt, dan kun je niet meer terug [naar onverschilligheid]. Ik heb het nu gezien.”

Binding als geluk

Broer merkt op dat Huys zelf voldoet aan alle criteria op de checklist die hij naar een tekst van Aristoteles heeft opgesteld voor een gelukkig mens. Kan hij zich dan toch niet gelukkig voelen? Huys stelt dat hij wel gelukkig is, al voegt hij daaraan snel – met vrouwe Fortuna nog in het achterhoofd – aan toe: “tot nu toe.” Hij blijft zijn geluk toch nuchter bekijken, en is ook beducht het als verdienste voor te stellen en spreekt toch liever van “mazzel.” Het feit dat we nu in een tijd leven vrij van oorlog bijvoorbeeld, is iets dat hem is overkomen, dat hem gegund is. Hij heeft het geluk in die tijd te mogen leven, dat is uiteraard geen verdienste.

Al blijft hij bescheiden, Huys geeft aan “niets te klagen” te hebben. Toch is dat voor Broer niet genoeg, die nog volhoudt: “toch zit er een soort rusteloosheid in.” Huys geeft te kennen dat dat gevoel toch wel minder is geworden, al heeft hij nog wel de angst voor stilstand, waar rust als de voorhouding van de dood gezien kan worden. “Je moet wel een beetje in actie blijven” is het devies van Huys.

Zijn vorm van geluk, daar heeft hij wel anderen voor nodig. Op dit punt doet hij ook afstand van het denken van Rousseau, omdat hij alleen aan zichzelf genoeg wilde hebben. Huys beschrijft zich als een familieman, en geeft zelf te kennen: “Voor geluk heb ik anderen nodig. Ik kan me helemaal niet voorstellen dat ik dat alleen voor elkaar zou krijgen. Nee, integendeel.”

Foto: Twan Huys (rechts aan tafel) te gast bij het Doperscafé, met als gespreksleider Thijs Broer (links aan tafel).

Bezoek ook de site van het Doperscafé.

Lucas van Heerikhuizen
Lucas van Heerikhuizen is afgestudeerd als master in de godsdienstwetenschappen. Momenteel is hij werkzaam als webdeveloper en WordPress docent. Tevens is hij actief als redacteur voor Zinweb.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *