Dopers perfectionisme (2)

Toen Menno Simons rond 1539 naar buiten trad als het nieuwe gezicht van de doperse hervormers was het zaak een totaal nieuw imago op te bouwen: de Münsterse miserie vóór hem had de haat en de hoon van de wereld over zich afgeroepen. Dat zou Menno gaandeweg lukken met zijn vredelievende, van de wereld afgezonderde gemeente zonder vlek of rimpel.
Lees deel 1 van het artikel hier.

‘Schickinghe Godts’
Piet Visser – Werden de Waterlanders voor de meest vrijzinnige richting versleten, toch hield men ook daar de teugels vrij strak. Neem het geval van Jan Philipsz Schabaelje. Deze gortmolenaar maakte begin zeventiende eeuw fortuin in bruisend Amsterdam. Hij kerkte bij de Waterlandse gemeente van Joost van den Vondel. In 1624 werd hij vermaner in het Alkmaar van Hans de Ries. Gort was niet meer zijn ding, maar God. Jan had herderlijke talenten, terwijl het stichtelijk schrijverschap hem op het lijf geschreven was. Hij dichtte geestelijke liederen, bestudeerde de bijbel, en zette zich in om oud-doperse waarden in zijn tijd van luxe en welvaart te doen herleven. Totdat het noodlot toesloeg. Net weduwnaar geworden, raakte de treurende Jan in de ban van dienstmaagd en kousenstopster Judith Lubberts. Niet enkel haar geest, maar klaarblijkelijk ook haar lijf bood hem lustig troost. (Eufemistisch noemde men destijds seks bedrijven ‘conversatie hebben’)! Na een ernstig gesprek met de gemeente bleken Jan en Judiths posities onhoudbaar te zijn. Judith verdween banwaardig uit het zicht van het doperdom. Deze ‘schickinghe Godts’ bracht haar zelfs in de schoot van de katholieke kerk, door zich als vroom klopje (een soort begijntje) dienstbaar te maken aan de God van Rome. En Jan? Die huurde een achterkamer aan het Fnidsen, waar hij zich in eenzaamheid aan zijn privé-God en het christelijk schrijverschap zou wijden.

De lust van de last
Als door berouw en boete bezeten produceerde Jan Philipsz het ene stichtelijke lied na het andere. Hij schreef boek na boek: spreukenverzamelingen, samenvattingen van de evangelies, een leven van Jezus, en later, toen hij weer naar Amsterdam was teruggekeerd, zeer omvangrijke prentbijbels. Zeer onlangs heeft de Doopsgezinde Bibliotheek dankzij een erfenis daarvan een zeldzaam exemplaar weten te verwerven: Den Grooten Figuer-Bibel met meer dan 500 paginagrote gravures. Ondanks zijn kommervolle lot zou Jan echter eeuwige roem verwerven met zijn geestelijke dialoog, de Lusthof des Gemoets: een klein formaat boekje van zo’n 600 bladzijden, dat sedert de eerste druk van 1635 maar liefst 103 keer herdrukt is. Dit is, zonder overdrijving, Nederlands meest succesvolle boek uit de Gouden Eeuw! De faam van grootheden als Vondel en Cats verschraalt daarbij. Tot op de dag van vandaag wordt dit kassucces – Schabaelje heeft er overigens nooit een cent aan verdiend – in het Duits en Engels nog gelezen door de Old Order Amish en Mennonites (onze ouderwetse knuffelgetuigen van moderne splijtzucht…).

Hoe dat ook zij, ik zou het doodzonde hebben gevonden als Jan nimmer die zonde had bedreven.

Dit artikel verscheen in de februari-editie van Doopsgezind NL, die gaat over imperfectie. Wilt u deze helemaal lezen? Klik hier. 

Claudia Pietryga
Claudia deed zowel een sociaal-agogische als journalistieke opleiding en is alweer bijna tien jaar freelance journalist. Ze schrijft het liefste over maatschappelijke onderwerpen en publiceerde onder meer stukken in de Flair, Hallo Jumbo, Spits, Het Parool, diverse blogs, lokale bladen en uiteenlopende (online) media voor met name ondernemers.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *