De weg naar binnen

Ook dertig jaar later herinner ik me die avond nog als de dag van gisteren. Het betreft dan ook een van de merkwaardigste en meest bevreemdende ‘religieuze samenkomsten’ die ik ooit meemaakte. 

Begin jaren tachtig waren we in de kloosterbibliotheek in Huissen bijeengekomen om ons te bezinnen op ‘onze opdracht als dominicanen in deze tijd’. Om redenen die ik nooit heb kunnen achterhalen, hadden de organisatoren van deze bijeenkomst de schrijfster Andreas Burnier (pseudoniem van prof. Catharina Irma Dessaur, 1931-2002) uitgenodigd om een voordracht te houden. “Met uw maatschappelijk engagement zit het vast wel goed”, merkte ze vilein op. “Maar hoe staat het met uw gebedsleven? Stelt u werkelijk Christus in uw leven centraal? Bent u überhaupt wel spiritueel bezig? Daarom bent u toch dominicaan geworden?”

Onzalig
Burniers betoog viel bij de meeste aanwezigen, mijzelf incluis, heel slecht. Ze suggereerde niet meer en niet minder dan dat wij dominicanen onze eigenlijke opdracht versaagd hadden. Hoe durfde ze! We klasseerden haar als rechts, liberaal en individualistisch. Christen-zijn was in onze ogen echter niet rechts maar links, niet liberaal maar sociaal, niet gericht op individuele zelfontplooiing maar op sociale rechtvaardigheid. We vatten dat alles naar de geest van die dagen zo concreet mogelijk op: we wensten ons niet druk te maken over de staat van ons innerlijke leven – daarmee zat het wel snor, dachten we – maar wel over de dreigende plaatsing van kruisraketten in ons land.  Een strijd waarvoor we wekelijks inspiratie op deden in Hervormd Nederland (zie  p.6).

De herinnering aan het ‘onzalige optreden’ van Burnier kwam bij me naar boven tijdens het gesprek dat ik voor  dit nummer van VolZin voerde met de filosoof en zenboeddhist Jan Bor. Hij is geen bewonderaar van Burnier, vertrouwde hij me toe. Toch is er tussen hen beiden een overeenkomst. Ook Bor wijst op de noodzaak van de weg naar binnen: “Het is een cliché maar ik kan het niet beter zeggen. Inderdaad: ‘verbeter de wereld en begin bij jezelf.’ Het enige wat jij kunt verbeteren, ben jijzelf. Zie je hebzucht onder ogen, je ijdelheid, je opgeblazenheid.”
Dertig jaar geleden wilde het kwartje bij mij niet vallen. Nu wel. Verlang ik dan niet meer hartstochtelijk naar het Koninkrijk van God? Zeker wel! Denk ik nu dat maatschappelijke inzet voor een christen niet langer geboden is? Zeker niet! Maar ik meen wel dat we als christenen de afgelopen decennia iets geleerd kunnen hebben: het is niet goed om het christelijke geloof restloos gelijk te stellen aan een maatschappelijke ethiek. En nog minder om het geloof gelijk te stellen aan de uitvoering van het programma van deze of gene (linkse) politieke partij. Het geloof verplicht ons veeleer om permanent kritisch te blijven kijken naar welk politiek programma dan ook. Al was het alleen maar omdat de geschiedenis ons leert dat de bevrijders van nu vaak de onderdrukkers van morgen zijn. 
Je kunt je zelfs afvragen of je het geloof überhaupt wel nodig hebt om tot een juiste ethiek te komen. “Dat je arme sloebers helpt, dat is toch de gewoonste zaak van de wereld?”, zegt Bor terecht. 

Tien seconden
De innerlijke weg van het geloof leert me dat ik er mag zijn, in al mijn onvolkomenheid. Sommige progressieve christenen staan nog steeds argwanend tegenover een dergelijke gedachte. Zij vrezen, net als wij dominicanen begin jaren tachtig, dat de nadruk op het innerlijk wegvoert van de inzet voor een rechtvaardige samenleving. De dichter Huub Oosterhuis, die vorige maand tijdens de Nacht van de Theologie een prijs ontving voor zijn gehele oeuvre, is een van hen. Hij waarschuwt in zijn recente pamflet ‘Red hen die geen verweer hebben’ christenen voor “religieuze vluchtmechanismen”, “een donker vergankelijkheidsbesef” en “de filosofie der lotsaanvaarding”. Hij verbindt deze – niet ongebruikelijk in links-christelijke kring – met “het Nieuwe Tijdsdenken” en “esoterische theorieën”. Anderzijds schrijft hij ook: “Ik kan mij geen enkele vorm van volharding denken, geen enkel duurzaam engagement, zonder tien seconden mystieke ervaring.” Ik ervoer die laatste zin, zeker na het gesprek met Jan Bor, als een verademing. De door mij zeer bewonderde Oosterhuis zou mij geen groter plezier doen dan wanneer hij zijn volgende pamflet zou wijden aan deze essentiële ‘tien seconden’.

Jan van Hooydonk
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *