De goddelijkheid gesluisd

Vorige week kreeg ik van een vriendin de gedichtenbundel ‘Op de hoge’ van Willem Jan Otten cadeau. Ik ben een fan van hem, maar die bundel had ik nog niet. Dat wist die vriendin, en ik was jarig geweest, vandaar. In de bundel kwam ik een gedicht tegen waarvan ik meteen wist: dit zal ik kennen zolang ik leef. Bij lezing werd een laatje in mijn hoofd opengeschoven waarvan ik niet eens wist dat ik het had. 

 

Het gedicht heet ‘Maria’. Het gaat over de moeder van Jezus en over Jezus zelf. Over zijn geboorte en kruisiging. Het voert te ver om op deze plaats het hele gedicht te bespreken (ik neem het hier onder op). Maar het meest troffen mij twee zaken. Allereerst: de geboortepijn van Maria wordt beschreven als vorm van kruisiging, en de kruisiging wordt beschreven als een baren.

Het tweede trof mij nog meer. Het gaat om het beeld dat Otten gebruikt voor de menswording van God. Het gedicht spreekt van een sluis en het schutten van het water. Een oceaan van goddelijkheid wordt in de geboorte en kruisiging van Jezus geschut. Eenmaal gesluisd naar het laagste punt is het een menselijkheid geworden die ‘de zwakste van al’ is. Otten gebruikt de aangehaalde woorden tweemaal.

Het is te weinig om te zeggen dat ik de menswording van God met nieuwe ogen zag. Ik zag het nieuw gebeuren. Het aan de zaak wezensvreemde beeld van het sluizen brak vaststaande beelden af. Maar de zaak zelf kwam ermee nieuw aan het licht. Zó zouden wij, theologen en voorgangers, moeten kunnen spreken, dacht ik. Want de menswording lijkt in onze dagen een discussiestuk geworden: platpraat waaruit alle poëzie is verdreven. 

In theologenland lijkt alleen wat je te zeggen hebt, ertoe te doen – alsof het om het even is hoe je het zegt. Maar ik neig steeds meer tot de gedachte dat juist in de stijlgevoeligheid de levende theologie zich aandient. We zouden ons aan moeten trekken wat literatuurprofessor Northrop Frye ooit schreef: ‘God is niet zozeer dood als wel begraven in dode taal.’ Dichters kunnen ons helpen die dode taal nieuw leven in te blazen.

Hoe ik ten slotte wijder, weer een millimeter wijder 
mij ontsluiten moest en splijtend werd doorboord 
door hem van binnenuit die mij desnoods voor lijk 
had laten liggen – als hij maar geboren worden kon – 

maar die, eenmaal ontsluisd, de zwakste was van al, 
kletsnat en als een oude telefoon gehangen aan 
een draaierige draad verbonden met geen buik, 

zo was ook hij, mijn zoon, zijn ene korte leven lang. 

Hij was de sluis waardoor een oceaan kwam aangezet, 
een eeuwig schuimend buitengaats dat door één lichaam 
en één dood geschut moest worden naar het laagste land. 

Ik was er bij toen hij van u beviel. Wijd uiteen 
gespijkerd perste hij uw almacht uit zijn zucht, 
u, binnenbuikse macht die eenmaal op de wereld, 
zich onbegrepen reddende, de zwakste werd van al, 

mijn zoon, volbrenger van het allerbangste plan.

 

Piet van Die
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *