De berg van de ziel

Kwetsbaar leven, daar weet Ada de Jong alles van. In de zomervakantie van 2008 verongelukten haar man en drie kinderen tijdens de afdaling van de Italiaanse berg Mt Dolent.  Haar wereld stortte in. Hoe moest zij nu verder? Zij kwam in contact met Christa Anbeek, die als twintiger in één jaar tijd haar ouders en haar broer was verloren.  Op latere leeftijd overleed haar partner, ook tijdens een klimtocht op een berg. 

Uit deze ‘zielsverwantschap’ is hun boek ‘De berg van de ziel’ ontstaan. Eind maart was de presentatie.  Aan de hand van hun eigen ervaringen verkennen zij existentiële levensvragen als:  Hoe vindt je een weg als alles afgebroken is? Hoe ontdek je jezelf opnieuw? Hoe vind je nieuw houvast in het leven?  Als kapstok gebruiken zij de christelijke geloofsleer, waaruit zij menselijke oervragen destilleren.  In het boek komen veel theologen en filosofen aan bod die deze oervragen proberen te beantwoorden, maar de breekbare zoektocht naar de weg omhoog begint bij de persoonlijke ervaringen van de auteurs. Er zijn geen antwoorden, u bent gewaarschuwd. Als je eindelijk denkt houvast te hebben op de berg, glijd je er weer even hard vanaf. 

Waarom heet het boek ‘De berg van de ziel’?
Christa en Ada noemen het schrijven van dit boek een zwerftocht, die letterlijk in de bergen begon. Rondzwerven zonder vooropgezet doel en maar kijken wat ze tegenkomen onderweg. ‘We noemen het een zoektocht naar de ‘berg van de ziel’, zonder dat we precies weten wat we daarmee bedoelen’, schrijven ze in het Voorwoord. De titel is in ieder geval overgenomen van de Chinese nobelprijswinnaar Gao Xingjian.  Zijn boek is ook een zoektocht naar iets belangrijks, een zwerftocht waarin steeds een wisseling van perspectief plaatsvindt. In het Nederlandse boek is iets dergelijks aan de hand. ‘In het boek is niet duidelijk wie van ons aan het woord is. Daarmee willen wij uitdrukken dat onze zoektocht niet particulier, maar universeel van karakter is. Het zijn ervaringen die ieder mens heeft of kan hebben.’   

Wat is de ziel eigenlijk?
Ada: ‘Na het ongeluk werd ik geconfronteerd met de kern van het bestaan. Ik ben zelf ook doodgegaan op die berg.  Toch bleef er iets van mijzelf in leven, ik viel niet in stukken uiteen. In dit boek zoeken we naar wat die kern toch is.’ Christa: ‘We gebruiken een omschrijving van De Dijn:  de ziel is geen substantie, maar datgene waardoor je respect krijgt voor een persoon. Tijdens mijn werk in de psychiatrie zag ik mensen die voor langere tijd uitgedoofd leefden. Ik vroeg mij toen af of die menselijke kern ook stuk kan gaan.’

Wat bleef er dan over na het verlies van jullie geliefden?
Ada: ‘Bijna niets eigenlijk.  Ik heb nog mijn karaktertrekken over, maar mijn identiteit is weg. Ik ben niet meer de persoon die ik dacht te zijn en moet mezelf opnieuw uitvinden.’
Christa: ‘Wij halen Spinoza aan, die geestkracht en edelmoedigheid als kern identificeert. Hij ziet dat als eigenschappen die levenskrachten bij jezelf en bij anderen bevorderen. Misschien is dat wel de weg uit het dal: dingen doen en kiezen die behulpzaam zijn bij het hervinden van je levenskracht en dingen laten die daar tegenin gaan. Vanuit je intuïtie wel te verstaan, niet vanuit moralisme.’

Wat heeft jullie de eerste tijd daarbij geholpen?
Ada: ‘De natuur in de eerste plaats. De koolmees op een vetbol voor mijn raam was het eerste waar ik weer van kon genieten. En mensen om me heen die mij uitnodigden om leuke dingen met hen mee te maken. Belangrijk is  om tijd te maken voor het verdriet, er niet voor weg te lopen. Afleiding en werk mogen, maar als ik geen tijd neem voor mijn gevoelens dan ga ik een aantal dagen later onderuit – op momenten dat het niet uitkomt. Christa: ‘Toen mijn ouders en broer overleden kon ik helemaal niet huilen, ik was wel boos en had ruzies met mijn toenmalige partner.  Een soort verstening was het. Het heeft lang geduurd voordat er een verzachting bij mij is opgetreden en ik de pijn en het verdriet meer kon aangaan.’

Wat is jullie doel geweest met het schrijven van dit boek?
Ada:Ik heb heel veel gelezen over rouw en verdriet. Sommige passages raakten me, gaven me een beetje houvast. Daar kunnen anderen nu ook wat aan hebben. Ik ben niet zo van de verwerking hoor, de pijn gaat namelijk nooit over. Het klinkt hard, maar lezers hebben recht op die waarheid. Na vijf jaar kan ik zeggen: ik kan wel leuke en zinvolle dingen doen, maar dat betekent nog niet dat het met mij goed komt. Het hoogst haalbare is om het in het hier en nu goed te hebben. Ik sprak een vrouw die tien jaar geleden haar gezin had verloren. Zij was sterk en stevig en had een lach in haar ogen. Dat gaf me hoop.’ Christa: ‘Het hoofdstuk over de toekomst was de moeilijkste uit het boek. Ik voel de onverbeterlijke drang om te bewijzen dat  vanuit kwetsbaarheid een ander waardevol perspectief op het leven mogelijk is, maar Ada hield me met beide benen op de grond. We hebben zitten slijpen aan de zinnen om ze maar niet te optimistisch te formuleren.  De geleefde ervaring is het zwaartepunt, niet de traditie, wat je graag zou willen, hoop of geloof.’ 

Als de tijd niet alle wonden heelt, wat doet zij dan?
Ada: ‘In de eerste drie maanden kon ik alleen leven met muziek op mijn oren, nu is dat niet meer zo. Ik leer mijn nieuwe zelf kennen en kan er beter mee omgaan. Gevoelens en gedachten overvallen me niet meer zo hevig. Ik heb allerlei situaties al eens meegemaakt, die routine is prettig. Het was verschrikkelijk om mensen voor het eerst onder ogen te komen die hier angstig  binnenstapten. Het is zoals mijn vader zei, twee jaar nadat mijn moeder was overleden: ‘ik mis haar niet meer bij elk kopje koffie’.  Maar het ontworteld zijn gaat niet over, ik ervaar geen continuïteit, geen toekomst.’  Christa: ‘Ik ben gelukkig levenslustig, maar die ontheemdheid gaat inderdaad nooit over. Het gevoel nergens bij te horen, nergens thuis te zijn, blijft  – ook in een nieuwe relatie.  Ik droom nog steeds dat ik geen huis heb.’ 

Biedt God troost?
Christa: ‘Wij hebben allebei ervaren dat het gezien worden in onze pijn heel belangrijk is.  Veel mensen ervaren inderdaad dat God hen ziet, ik respecteer dat dat voor hen van  waarde is. Ik heb persoonlijk niet ervaren dat God troost. Ik heb veel gebeden voor mijn familie, maar heb moeten concluderen dat het universum onverschillig is. God als zelfstandig object is daarmee voor mij verdwenen. Maar wij sluiten in ons boek aan bij ideeën van Gabriel van den Brink in zijn boek ‘Eigentijds idealisme’.  Ik omschrijf dat als:  ‘Er komen nieuwe idealen over wat van ultiem belang is. De mens kan het zoeken naar het uiteindelijke niet opgeven. Het leven zelf, met daarin de confrontatie met breekbaarheid en dood, drijft mensen over de grens van het eindige, op zoek naar iets wat niet voorbij gaat, iets wat draagt en troost. In die zin zal God, of het Hogere, of hoe je het dan ook noemt, altijd opnieuw uitgevonden worden.’ In ander vormen wel te verstaan, misschien in betrokkenheid bij een ander, in muziek, door hard te lopen, wat dan ook. Ada: ‘Ik heb God al lang geleden vaarwel gezegd.  In het begin had ik wel moeite met het christelijke kader van het boek, maar het opent ook wel interessante perspectieven.  Soms gaat de christelijke leer mij echter veel te ver, bijvoorbeeld in de opvattingen over verzoening. De dood van mijn kinderen dient nergens voor en is voor niemand goed. Dat blijft onacceptabel. Maar uiteindelijk is het ook mijn boek geworden hoor.’

In het hele boek gaat het ook over taal en woorden, over het vertellen van verhalen en over de stilte als juist het afwezig zijn van woorden. Zijn woorden toereikend om je gevoelens uit te drukken?
Ada: ‘ Soms lukt het om in woorden uit te drukken wat me ten diepste beroert. Dat is troostrijk omdat ik dan kan delen en gezien worden in mijn verdriet.  Maar het luistert heel nauw.  Een zus van mij veranderde, ‘herkaderde’ mijn woorden, zoals in een therapeutisch gesprek gebruikelijk is.  Daar werd ik razend van. Als ik dan een precieze formulering voor mijn gevoelens heb gevonden, mag niemand die van me afpakken.’ Christa: ‘Lang heb ik niet gedurfd om over mijn gevoelens te praten. De woorden van theologen vond ik nep, omdat ze niets met mijn leven te maken hadden.  Zenmeditatie was het uiteindelijk ook niet, de stilte daar was soms nog verstikkender. Nu ik meer over mijn eigen gevoelens praat, zijn woorden een welkom hulpmiddel geworden.  Onze ervaringen in het boek staan ook bewust naast elkaar, we wilden elkaars ervaringen niet ‘afpakken’.’ 

Aan welke mensen hebben jullie wat gehad?
Christa: ‘Na het overlijden van mijn moeder en mijn broer, schreef ik een briefje aan medestudenten van de predikantenopleiding. Niemand reageerde. Vreselijk was dat, de gebeurtenis stond tussen mijzelf en de anderen in.  Ada:Mensen kwamen de eerste keer angstig binnen. Sommigen bleven hangen in hun verwachting een vrouw aan te treffen met de gordijnen dicht en een kussen over haar hoofd. Dat is lastig, die mensen heb ik ook niet meer gezien. Gasten moeten niet plechtig blijven doen en ontdooien, zodat we ook samen kunnen lachen. Contact maken met mij, niet met de ramp. Mijn vader is een voorbeeld voor mij. Hij heeft inmiddels al zijn broers en zussen verloren en zijn vrouw,  zijn schoonzoon en drie kleinkinderen. Toch geniet hij van het leven en is opgewekt en belangstellend naar anderen toe.  De  onbevangenheid van mijn buurmeisjes doet me goed. De vriend die mijn hand vast houdt, durft de ergste verhalen aan te horen. Vriendinnen zijn een grote steun omdat  ze me uitnodigen om samen leuke dingen te doen.’   

Dit artikel verscheen eerder in de april-editie van AdRem. Klik hier om deze te downloaden.

Het boek ‘De berg van de ziel’ lezen? Klik hier om het te bestellen.

Michel Peters
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *