De adoptie van een kerstkind

Want toen ik honger had, hebben jullie Mij te eten gegeven. Toen ik dorst had, hebben jullie Mij te drinken gegeven. Toen ik een vreemdeling was, hebben jullie Mij in huis genomen. Toen ik geen kleren had, hebben jullie Mij hen gegeven. Toen ik ziek was, hebben jullie Mij opgezocht. Toen ik in de gevangenis zat, hebben jullie Mij bezocht. Toen jullie dit deden voor de minsten, hebben jullie dat voor Mij gedaan – naar Mattheus 25 – .

Het is 1958. De winter heeft zijn koude hand over het land gelegd. Er rijdt een kleine rode Deux Chevaux vanuit een Zeeuws kerkdorpje in de richting van Amsterdam. De kachel die onder het dashboard niet alleen het wankele autootje, maar ook de jonge vrouw en de chauffeur achter het stuur moet verwarmen, doet zijn best. De twee ruitenwissers die buiten aan de voorruit van het Lelijke Eendje van links naar rechts bewegen, proberen de sneeuwvlokken die met duizenden tegelijk naar beneden komen met stevige slagen uit de weg te ruimen. Zwiep zwoei, zwiep zwoei. De koplampen die van ’t wagentje een vuurtoren proberen te maken, verspreiden een schaars licht over de weg. Op de achterbank ligt een tas met wat kinderkleertjes. Ernaast een stoeltje, stevig in riemen geklemd. Van een kindje echter geen spoor.

Eenzaamheid

Uit wat de man en de vrouw tegen elkaar zeggen maak ik op dat Amsterdam nog een stevig eind weg is, dat ze ‘nog minstens een half uur’ onderweg zijn. Hij zegt het bezorgd, terwijl hij zijn blik strak op de weg houdt. De man heeft het gelaat van iemand met een zachtaardig karakter. Het lijkt erop dat hij nerveus is, zijn zinnen tenminste zitten vol twijfels. Zij stoort zich er niet aan, in wat ze tegen hem zegt, hoor ik niets onaangenaams, en omdat haar hand op zijn knie ligt, houd ik het erop dat ze veel om hem geeft. “We zijn gelukkig vroeg genoeg opgestaan”, zegt hij. “Dus we zullen wel op tijd zijn.” Opnieuw dat nerveuze. “Natuurlijk”, zegt zij. “En als we straks thuis zijn en haar naar binnen brengen, in veiligheid, dan vindt ze de kachel warm opgestookt en het huis behaaglijk, dat ziet ze de glinsterende steenkolen en de kit, en we laten haar zien hoe we de kachel opstoken, hoe de kolen gaan gloeien, rood. En dan ontsteken we de lampen.” Haar stem is opvallend krachtig, toch nergens luid en overal steeds voor hem geruststellend. Een vrouw uit één stuk. En toch, wanneer je iets beter naar haar kijkt, dan zie je in haar gezicht iets wat op verdriet lijkt. Kijk maar, er trekken een paar lijnen over haar jonge gelaat, van die lijnen die naar een geschiedenis wijzen waarvan je zou willen dat ze hem aan je kon vertellen, zodat je haar beter zou kennen en je haar zou kunnen troosten.

Soms herken ik vergelijkbare lijnen in de gezichten van mensen die op straat leven of in die van vluchtelingen wanneer ik met hen mag spreken. Laatst nog, toen ik hierbuiten een broodje en een kop koffie ging brengen aan een man die recht tegenover mijn huis de nacht in de buitenlucht had doorgebracht. Ik had hem zien liggen onder de galerij van het bankgebouw hiertegenover, juist toen ik de gordijnen van mijn slaapkamer openschoof. De man zat net uit de wind, diep weggedoken onder een veel te dunne jas en hoewel beschut, zat hij nog steeds in de kou. De kou van de winter in 2016, het jaar waarin ik – het kind uit de kerstvertelling van 1958 – mijn kleine geschiedenis probeer op te schrijven met daarin een belangrijke missive dat élk van eenzaamheid gered mens er één is, elk leven, een licht op aarde. Het jaar 2016 waarin de wereld nog altijd eenzaamheid kent, verwoesting en liefdeloosheid, waarin lange rijen van vluchtende mensen strepen van verdriet, angst en rouw over de wereld trekken. Verdriet dat heeft postgevat in mensen in opvangcentra en in hen die daar nog naar onderweg zijn. Een jaar waarin de éne mens nog steeds niet in staat is de ander zó te dragen dat er niémand in angst hoeft te leven. En niemand kan zich daar meer machteloos onder voelen dan ikzelf die een thuis kreeg op die Kerstavond in de winter van 1958.

Thuis

“Hoe zou het met haar zijn”, vraagt hij. Het Rode Eendje wiebelt een beetje door de wind die het wagentje bijna van de weg blaast. “Zou ze voorvoelen dat we eraan komen?” Zij glimlacht. “Ze is een wakker meisje, misschien wel, misschien voelt ze dat er iets gaat gebeuren vandaag. Misschien hebben ze haar er wel iets van gezegd in het Tehuis. Ik ben best nerveus”, geeft ze toe. “Stel je toch voor, straks hebben we een kindje, een klein meisje. Zou ze bang zijn denk je?” Hij weet het niet. Hij kan zich eerlijk gezegd niet zo goed voorstellen hoe ’t voor iemand is om geen huis te hebben. En hij kent het meisje dat straks hun dochter wordt nu ze hen is toegewezen, nog niet zo goed. Hij weet alleen van de paar keer dat zij haar mochten bezoeken, dat ze wat bang leek en naar binnen gekeerd. Wat hij wél weet is dat straks, wanneer ze haar opgehaald hebben en ze met haar terug zullen rijden naar huis, niets meer hetzelfde zal zijn. Voor geen van hen. Dan immers zijn zij ineens ‘vader en moeder’ geworden, en het meisje is vanaf dan hun dochter.

En morgen met Kerst zullen ze met z’n drieën zijn. Dan steken ze de kaarsen aan in de kerstboom, en zullen zij vanaf dan altijd samen, nooit meer niét samen zijn. En als hun meisje niet al te moe is kunnen ze misschien morgen al met haar naar buiten, misschien kan ze al een stukje lopen. Zou ze dat al willen? Door het park. Als zij haar handjes vasthouden. Dan mag ze haar wantjes aan. Die ze voor haar gekocht hebben. Liggen ze in de tas? Zijn ze hen niet vergeten? En haar mutsje? En zouden ze haar nog kleertjes meegeven? Die ze steeds heeft gedragen? Weggooien maar hè, zodra ze thuis zijn. Alles uittrekken en in de vuilnisbak. Ze krijgt meteen al haar nieuwe. Zodat ze alles kan vergeten. En ze een nieuw leven kan beginnen. Ver weg van eenzaamheid en kou, ver weg van een onherbergzaamheid die wij ons niet kunnen voorstellen en die je niemand toewenst. Ze krijgt een leven zoals je het iedereen zou gunnen. Met een thuis waar mensen de tafel voor elkaar dekken en een kamer waarin je een kerstboom kunt versieren, waar warme thee wordt geschonken en waar het licht ’s avonds aan wordt geknipt en waar misschien een waargebeurde geschiedenis wordt voorgelezen. Zo eentje als deze kleine, de hunne.

Kerstkindje

Och konden we maar éven vooruitvliegen op de tijd. Dan zouden we het Lelijke Eendje al zien parkeren in het centrum van de stad, tegenover het Huis. We zouden de twee uit zien stappen, hen de straat over zien steken. Zij rent bijna, ziet u? En hij komt er wat kalm achteraan. En de deur van het Huis gaat open, al direct nadat ze hebben aangebeld. Je ziet hen de voeten vegen, de kamer van de Directrice binnengaan, nog een laatste handtekening zetten. Je ziet hen weer opstaan, nerveus, de directrice hen voorgaan, de trap opklimmen, naar de eerste verdieping, waar hun kerstkindje op hen wacht. Het meisje zelf zit argeloos op schoot bij een verzorgster, ze luistert met haar duim in de mond naar een verhaal over de reis die Jozef en Maria afleggen naar Bethlehem. Voor ons is ’t verhaal misschien al wat versleten of zelfs hier en daar ongeloofwaardig geworden, maar dat is het niet voor haar, niet voor de kleine Rebecca. Zij hoort het voor ’t eerst en ze heeft er rode oortjes van gekregen, zo mooi vindt ze het. De man en de vrouw die op het púnt staan haar vader en moeder te worden kijken gespannen toe vanuit de deuropening. Het is alsof ze niet goed weten wie van hen de eerste stap mag zetten, wie als eerste de nieuwe toekomst in mag gaan. En dan kijkt Rebecca op. Ze ziet hen staan, herkent hen van de eerdere bezoeken, ze laat zich spontaan van de schoot van haar verzorgster glijden. Ze loopt op hen af en steekt haar armpjes uit. Er gaat een lichtje aan in haar ogen. En dan zomaar, huilt hij.

Bron foto: freestocks via Pexels

Bianca Hiemcke Schriek
Bianca is musicus, schrijver, programmamaker en coach. Ze is directeur van RrOOD, een groep filosofen, musici, bedrijfskundigen, acteurs en wetenschappers die de bezem door de Nederlandse workshop halen. Zij schrijft korte verhalen voor Mantra, Straatnieuws Den Haag en Straatnieuws Rotterdam. In haar coachingspraktijk werkt zij met cliënten die orde willen scheppen in het eigen bestaan.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *