Dakloze maaltijd

De dakloze en de maaltijd

“Het is niet jij die de wereld plaats geeft, maar het is de Ander die jou aanspreekt, appelleert en jou een plaats geeft”, zei de filosoof Emmanuel Levinas ooit. Bianca bood onlangs aan iemand zonder vaste woon- en verblijfplaats een maaltijd aan en kwam daarbij tot deze mooie conclusie.

Ze staat in ‘t portiek, half verscholen. Het is fris, frisser dan met de zon van zo-even, ‘t is nagenoeg avond, ‘t donkert. Tegen haar benen een koffer, mooi, oud, verdrietig, versleten. Haar haren zijn stoffig, pluizig, als lang niet gewassen. Ik kom van de markt, kijk in haar ogen, zij kijkt terug, vriendelijk, zonder schroom, in de mijne. Ik steek m’n hand op, groet, ben verlegen, wil om haar heen, naar mijn voordeur, daarachter wacht mijn voorzichtige leven. De sleutel piept, de brievenbus kleppert, ik kijk naar haar om, voel haar ogen, hoor dan mijn stem waarin, terwijl ik haar aanspreek, een vraag wordt geboren ‘wilt u misschien bij me eten?’

Maaltijd

Ze is even van slag, meer nog dan ik, maar mijn hand wenkt, dat stelt haar gerust, eigenlijk ons beiden. In mijn mand rusten paprika’s roder dan liefde, citroenen geboren in ‘t geel van voorbije zomerse dagen, pepers en knoflook, aubergines rond als de aarde, krachtige noten. Daar knikt ze, haar ogen nieuwsgierig, we lachen, plotseling zijn we niet ieder alleen maar samen met tweeën. Thuis neem ik voorzichtig haar jas aan, ze kijkt om zich heen, vraagt met haar ogen of ze daar bij de kraan, haar handen mag wassen.

We hebben geen taal, geen historie, geen namen, we zijn vreemden voor wie niéts in de weg staat samen te koken, te eten. We praten niet, tenminste we gebruiken geen spreektaal, delen er geen. We wijzen, gebaren, we kijken, schudden van ja, knikken zodra de een de ander verstaan heeft, begrepen. We scharrelen rond in mijn keuken, kloppen elkaar op de schouder, blijven vooreerst nog onwennig, stilaan verdwijnt dat. Ze reikt naar de bloem, eieren, een kan water, wat zout en dan gist. Ze zet zich aan tafel, maakt een tafereel, meer dan ze brood maakt. Ik snijd de aubergine, we breken de noten, drinken wat water. Het eten geurt langzaam.

Gelaat

Wanneer ze mij met haar handen vol schrammen en groeven heeft voorgedaan hoe de rijst in de vingers te nemen, in wélk deel van mijn mond ik de kruiderijen ’t beste kan proeven, en later wanneer de afwas gedaan is, zij aanstalten maakt om naar het unheimische buiten te gaan, weer te vertrekken, heb ik mijn hang naar mijn overzichtelijke veiligheid overwonnen.

Ik toon haar de kamer waar ze – wanneer ze zou willen – kan slapen, het bad en de zeep, de handdoeken die donzig …. Ze kijkt naar mijn ogen, de uitdrukking in haar gelaat is duizend jaar oud, wijs, waardig. Niets aan haar is voorbij haar zichtbare armoede, armoedig. En ik weet dat deze vrouw waarvan ik niet eens weet hoe haar naam is, me naar een diepgaand begrip leidt. Het begrip dat niets in de weg staat om voor de ander te zorgen.

Bianca Hiemcke Schriek
Bianca is musicus, schrijver, programmamaker en coach. Ze is directeur van RrOOD, een groep filosofen, musici, bedrijfskundigen, acteurs en wetenschappers die de bezem door de Nederlandse workshop halen. Zij schrijft korte verhalen voor Mantra, Straatnieuws Den Haag en Straatnieuws Rotterdam. In haar coachingspraktijk werkt zij met cliënten die orde willen scheppen in het eigen bestaan.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *