Athos

In de oude muziekgeschiedenis van de vroege kerk speelt een belangrijke stelregel een hoofdrol die in navolging van Augustinus werd opgesteld en geïntroduceerd door de filosoof Boethius. Deze stelregel, geformuleerd naar het hiërarchische denkmodel van de 6e eeuw, luidt dat muziek een fysieke arbeid is dienend als een slaaf, terwijl de rede als zijn meesteres de dienst uitmaakt.

De gedachte achter deze regel was dat de muzikant als uitvoerend kunstenaar niet weet wat hij doet, dat voorrecht komt namelijk alleen de componist toe aangezien alleen deze de muziektheorie kent waarop de ten gehore gebrachte muziek gebaseerd is. Wanneer ik door het Utrechtse winkelcomplex Hoog Catherijne loop kom ik onderweg allerlei straatzangers tegen zichzelf begeleidend met een gitaar, viool of accordeon. Als hun performance tegenvalt en mij niet kan boeien, of wanneer de inhoud van het lied echt nergens op slaat, dan weet ik mij altijd getroost door de beroemde regel van Boethius. Want hij zegt het klip en klaar: wint je niet op, want zij weten niet wat zij doen! Dankzij deze stelregel kan de musicus na al zijn inspanningen met een gerust hart het zweet van zijn voorhoofd vegen. Zelfs de meest geplaagde en bekritiseerde muzikant gaat altijd vrijuit. En dit was nu precies wat men met deze regel beoogde. Men wilde de muzikant ten allen tijde in bescherming nemen tegen de bedenker wat hij ten gehore brengt. Voor de verspreiding van het christelijk geloof en van humanistische geletterdheid in een nog grotendeels onvrije wereld.

De muzikant verkreeg zo dus een interessante vrijplaats naar zijn publiek toe. Het was bij wijze van spreken uitsluitend Kritik der praktischen Vernunft die hij bracht: het raakte de mensen direct in hun doen en laten. Ook met dit effect was de slimme Boethius goed bekend. Met muziek bereik je namelijk veel meer dan met de rede alleen. Want je voelt en ervaart altijd veel meer dan je begrijpt wanneer je de muzikant in zijn soms meeslepende spel beluistert. Maar hij is opnieuw niet aansprakelijk voor wat men ervan vasthoudt. Voor de emotie die in het publiek zit gaat hij vrijuit. Voor de kritische geluiden die brengt geniet hij het bijzondere voorrecht volgens Boethius van de praktische immuniteit. Deze afstand tussen theorie en praktijk heeft in het christendom diep doorgewerkt. Zo herinner ik me de mierszoete vroomheid van een oud kinderliedje over een zekere Vitellus. Het suggereert een verborgen verband tussen vrolijkheid en het levenseinde. ‘Waar is Vitellus de wafelverkoper, waar is Vitellus die snelle loper. Hij danste als hij liep en hij stond op een voet, zijn wafeltjes waren zo warm en zo zoet (…) Vitellus zag Christus verliet zijn gewin en snelde de Heer na de hemelen in.’ De vervoering dier erdoor teweeg werd gebracht in onze ziel om zoveel onverklaarbaar diepe geloofszekerheid deed zijn werk natuurlijk veel beter dan welke redelijke uitleg ook.

Maar de geschiedenis heeft geleerd dat er ook een aanmerkelijk nadeel aan kleefde. Bij de volwassenwording van onze cultuur – van critici als Montaigne tot Russellm Dennett en Dawton in onze tijd – voltrok zich resoluut een breuk met wat als een voor volwassen mensen onaanvaardbare en infantiele werkelijkheid werd aangemerkt. Naar mate hierdoor het klimaat voor geloven moeilijker werd, werd ook het geloof in zijn overlevingsdrang steeds moeilijker en dus intellectueler. Nu zien we hoe vaak mensen bij het ouder worden worstelen met de resten van een kinderlijk geloof, waarvan zij rond hun volwassen wording zich hadden willen bevrijden door het met intellectuele middelen voor te zetten. Een overgang die zelden met succes wordt gemaakt. De muziek is er uit daar waar de rede begon. De spanning tussen opinie en denken – tussen bevattingsvermogen en begrip – lijkt nu haast onoplosbaar. Volgens Tomoko Masuzawa, een religieonderzoeker uit Chicago, hebben westerse christenen zichzelf in een wonderlijke dilemmapositie gemanoeuvreerd.

Velen geloven namelijk dat zij zowel ondanks als dankzij hun christelijke traditie diverse aspecten ervan als infantiel en dus onhoudbaar hebben leren doorzien. Velen zijn God kwijt en proberen hun geloof met andere middelen voort te zetten, terwijl zij zich tegelijkertijd helemaal niet lijken te generen wanneer zij aan andere religies vanuit hun eigen twijfelachtige historische westerse suprematie iedere waarheidsaanspraak het liefst zouden willen ontzeggen. Dat is anderen bestrijden vechtend tegen eigen tranen. In eigen kring waren God, Jezus’ opstanding en wederkomst en het laatste oordeel onderwerp van historische kritiek geworden. Men ging religies zien als ontwikkelingsstadia in de geschiedenis van de mensheid. Maar wat een reddende engel leek bleek ook alle trekken in zich te hebben van een boze fee. Het religieuze landschap zag er plotseling compleet anders uit, een competitie veld, samengesteld als het nu was uit winnaars en verliezers, achterblijvers en voorlopers. Met als voorlopige eindstand dat het christelijke westen zich al comfortabel tot de veilige laatste categorie heeft gerekend.

Zou deze afstand in het religieuze denken, tussen meesters en slaven, tussen de wijzen en de dommen, op de een of andere manier overwonnen kunnen worden misschien? Zouden wij ons geloof ook kunnen bezitten als een stijlfiguur, dus zonder gelijk die universalistische aanspraken op iets wat geldig zou moeten zijn voor overal, voor altijd en voor iedereen? De mensheid lijkt daartoe telkens maar weer niet goed in staat. Wie de euvele moed heeft te beweren dat hij bevrijd van elke dwang het morgenrood heeft gezien, kan subiet rekenen op het slechtste in de mens dat wordt wakker gemaakt, zoals aan het volgende voorbeeld treffend kan worden geïllustreerd. Begin juni 1913 stoomden drie Russische oorlogsschepen met aan boord 118 mariniers op naar de azuurblauwe wateren rond de heilige berg Athos in Griekenland. In de vroege ochtend van 13 juni werd de bestorming van dit duizendjarig centrum van Russische Orthodoxie ingezet. In kleine bootjes gingen de zwaarbewapende soldaten aan land, waar ze doorstootten naar het grootste klooster, de Pokrovky Kathedraal, dat zij vrijwel leeg aantroffen. De honderden monniken hadden zich tijdig uit de voeten gemaakt. De meesten hadden zich verschanst in hun in der haast met samengeraapte huisraad gebarricadeerde cellen. Toen zij weigerden zich voetstoots over te geven werden ze met veel geweld uit hun cellen verwijderd en zwaargewond en hevig bloedend afgevoerd en bijeengebracht in de centrale ruimte van de kathedraal. Daar werd hen vervolgens door een uit St Petersburg meegebrachte bisschop aangezegd dat op last van de tsaar en de synode hun manier van geloven werd veroordeeld en dat deze daarom van nu af aan streng verboden was. Zij konden hun oren niet geloven. Wat was er gebeurd?

Tot voor kort was hun klooster een vrije enclave geweest binnen de grenzen van het Turkse rijk en er was hun door die islamitische overheid eeuwenlang geen strobreed in de weg gelegd. Na de ineenstorting van dit rijk hadden de Grieken hen ook tot dusver met rust gelaten. De Russen waren hier echter niet geheel gerust op. Om internationaal de aandacht te vestigen op hun aanspraken op dit schiereiland aan de Egeïsche Zee, en om de Grieken daarin voor te zijn, hadden zij een uiterst paradoxaal plannetje gesmeed. Ze gebruikten als dekmantel de noodzaak van een militaire ingreep in een naar hun zeggen hoog oplopend theologisch conflict dat hen al geruime tijd zorgen baarde. De orde moest worden hersteld. En ze kregen de Russische cosul in het Griekse Saloniki gemakkelijk zover om het balletje aan het rollen te brengen. Hij riep braaf de hulp in van de Heilige Synode die op haar beurt een beroep deed op de inzet van een behulpzame overheid. Want wat was er aan de hand? Er was inderdaad sprake van enige verdeeldheid onder de monniken op Athos. Je zou kunnen zeggen dat een toenemend aantal van hen het slachtoffer dreigde te worden van het succes van de methode die allen aangereikt hadden gekregen. Dat zie je wel vaker.

Wat was het geval? Zij waren aanhangers van de volgens zeggen belangrijkste orthodoxe theoloog uit de 14e eeuw Gergorius Palamas genaamd, die net als zij nog op Athos had gewoond. Kort gezegd hield hij zijn aanhangers een directe manier van geloven voor, met voorbijgaan aan wat de bijbel en de kerk daaraan verder hebben toegevoegd. Alleen het dagelijks bidden van het Jezusgebed kon volstaan. Sommigen volstonden met het woord “Jezus” of “God” in hun gebed. (Anders dan onze Harry Kuitert nu, die de mening is toegedaan dat God “geen informatie bevattende voorstelling” is, verwachtten zij daarentegen juist alles van deze meditatie.) Naar de stellige overtuiging van de kerk kon dit gebruik worden gelijkgesteld aan heiligschennis, reden waarom de monniken ernstig de wacht werd aangezegd. Maar daar bleef het niet bij. Ze werden van hun monastieke waardigheid beroofd, gearresteerd, op een schil geladen en gedeporteerd naar alle uithoeken van hun Russische vaderland. De grap was dat ze zich daar bij willekeurige kloosters aanmeldden waar ze in stilte hun gewijde gebedspraktijk ongestoord konden voortzetten. Toen de tsaar dit door kreeg, en hij de ongrijpbaarheid van de vrijheid van eden individueel geloof inzag, besloot hij bij nader inzien, zij het aarzelend nog, tot het verlenen van een algemene amnestie.

Of degenen die het aanging daar nu gelukkig mee waren vertelt het verhaal niet. Aan de vruchten kent men immers de boom. En werden zij niet ook zonder herkend te worden al volop gewaardeerd om hun toegewijde levensstijl?! Het extraatje van een coming out zou opnieuw alleen maar kwetsbaar maken en hen bovendien kunnen terugzetten in het aloude schismatieke schema van de meester en zijn knecht. In het oude Genesisverhaal van de bijbel in hoofdstuk 4, 3-4 wordt ons verteld over Noach. Na de vloed als hij van de ark komt en weer voet aan wal heeft gezet lijkt hij wel geheel onkundig van het heilige. Alsof er niets gebeurt is hervat hij de oude gewoonte. Hij brengt God een offer alsof die daarom gevraagd heeft. Do ut des – ik geef opdat gij mij zult geven? Welke reden hebben wij toch om te geloven dat hij daarom vraagt? Waarom winnen oude gewoonten, oude schema’s, oude verhoudingen en oude voorstellingen het telkens weer van ons laatste verworven inzicht? Wij zijn burgers in het koninkrijk van God geen onderdanen!  Wie vraagt naar het bewijs is te klein voor het geheim. 

Heine Siebrand
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *