Art of Zen Investing: basis klassieke economie is illusie

In mijn vorige blog zei ik dat Adam Smith, de grondlegger van onze klassieke economische theorie, verkeerd geïnterpreteerd is. Adam Smith komt na een gedegen onderzoek tot de conclusie dat indien ieder mens voor zichzelf handelt, de hele wereld daar beter van wordt. In deze blog laat ik je in detail zien waarom Adam Smith’s model volgens wetenschappelijke regels niet gebruikt mag worden om iets over onze werkelijkheid te zeggen.

Adam Smith zei dat indien iedereen zijn of haar individuele ambitie nastreeft (lees: egoïstisch handelt), de ‘onzichtbare hand’ ervoor zorgt dat de gehele maatschappij verder geholpen wordt. De onzichtbare hand is als de hand van God. Doordat idereen vanuit zelfbelang handelt, en dat is efficiënt, zorgt de onzichtbare hand ervoor dat we als maatschappij vooruit komen.

Een theoretisch model heeft assumpties of aannames. In wetenschappeijk onderzoek pakken we een klein stukje van de werkelijkheid en lichten dat uit. Dan maken we bepaalde assumpties, een set van afspraken waarbinnen de theorie werkbaar is. We kunnen pas iets over onze gehele werkelijkheid zeggen als er aan deze assumpties voldaan wordt. Anders is het gewoon maar een theoretisch model dat niets zinnigs over onze werkelijkheid kan zeggen. De belangrijkste misvatting van zijn theorie komt voort uit het feit dat er bepaalde voorwaarden zijn waaraan voldaan moet worden om zijn model werkbaar te maken. De uitspraak “individual ambition serves the common good” is een uitkomst van zijn model als tenminste voldaan wordt aan de voorwaarden. Dit is de basis van wetenschappelijk onderzoek. Als aan deze assumpties niet wordt voldaan kan er ook niets over de gehele werkelijkheid gezegd worden. Het kan ons desalniettemin wel verder brengen. Op basis van een theoretisch model kunnen we verder ploegen in onze zoektocht om de werkelijkheid rationeel te verklaren. 

Assumpties van Adam Smiths model
De assumpties die Adam Smith aannam waren die van ‘volkomen concurrentie’. In het kort zijn dit de aannames van een volkomen concurrentie:

1. Producten zijn homogeen.
2. Er bestaat vrije toetreding tot een betreffende markt. Er zijn veel aanbieders en vragers in een markt.
3. Bedrijven zijn prijsnemers en hebben een relatief klein marktaandeel.
4. De markt is transparant en informatie is voor iedereen gelijkmatig beschikbaar. 

Ad 1: producten zijn homogeen
Dit betekent dat alle bedrijven identieke producten produceren. Het enige verschil is de prijs. Als producten homogeen zouden zijn, zou de laagste prijs van het product de het beste aanbod zijn. Maar in onze wereld zijn producten niet homogeen. Dit is waarom Apple veel meer geld kan vragen voor zijn computers dan bijvoorbeeld Microsoft. Het design en de gebruiksvriendelijkheid van Apple onderscheidt zich van andere computers. Aan de assumptie dat producten homogeen zijn wordt in onze wereld niet voldaan. 

Ad 2: vrije toetreding tot een markt
In een volkomen concurrentiemarkt kan iedereen zonder enige belemmering toetreden. Markten zijn in de praktijk echter niet vrij toe te treden om de simpele reden dat je geld nodig hebt om een bedrijf te beginnen. Dit geldt helemaal voor goederen die duurder zijn zoals machines en auto’s. Om een nieuw automerk te beginnen heb je ontzettend veel kapitaal nodig. Er zijn sommige markten die relatief makkelijker zijn toe te treden dan andere. De markt voor meditatiekussentjes bijvoorbeeld is makkelijker toe te treden dan de markt voor computers of auto’s, omdat je niet veel kapitaal nodig hebt om te beginnen. Markten kennen geen vrije toetreding omdat we geld nodig hebben om toe te treden. Markten (EU of VS) markten worden ook vaak beschermd. Drempels worden dus vanuit overheidswege juist opgesteld. Aan deze assumptie van Adam Smiths model wordt ook niet voldaan. 

Ad 3: bedrijven zijn prijsnemers en hebben een relatief klein marktaandeel.
Bedrijven zijn meestal geen prijsnemers maar prijszetters: bedrijven bepalen hun eigen prijs. Er is nu in het Verenigd Koninkrijk een maatschappelijk probleem omdat de energiebedrijven, ondanks de economische crisis, hun prijzen verhoogd hebben met 10-20%. Dit is raar, want er wordt niet meer energie gebruikt in tijden van crisis, eerder minder. Een van de economische principes is de wet van vraag en aanbod. Simpelweg betekent dit dat als er meer vraag is naar een product, het product duurder wordt en als er minder vraag is of meer aanbod, dan wordt het goedkoper.

Dus het is raar dat de energiebedrijven ineens hun prijs omhoog gooien. In een volkomen concurrentie waar bedrijven niet de prijs bepalen en een relatief klein marktaandeel hebben, zou dit niet kunnen. Dat het wel gebeurt is omdat er weinig aanbieders zijn van energie, een zogenaamde oligopolie. Het gaat net iets te ver om deze bedrijven te beschuldigen van geheime prijsafspraken maar dit wordt al wel geopperd in de media. Waar weinig aanbieders zijn, wordt de markt inefficiënt. Deze bedrijven verdienen dus meer geld ten koste van Jan Modaal. Er zijn nu ineens veel meer gezinnen in het Verenigd Koninkrijk die moeten kiezen tussen eten en de verwarming aanzetten. 

Nog minder efficiënt is het monopolie. De overheid en gemeenten hebben vaak een monopolie. Dit is de reden dat de prijs van parkeren de laatste tien jaar verdrievoudigd is. Als de prijs van parkeren was gestegen met de normale inflatie was het misschien 50% duurder geworden. In een monopolie  is helemaal geen concurrentie. De assumptie dat er veel vragers en aanbieders zijn in een markt en dus dat bedrijven de prijs niet kunnen bepalen (want dat zou de markt moeten doen), wordt niet nageleefd. Aan assumptie nr 3 van Adam Smith wordt ook niet voldaan. 

Ad 4: de markt is transparant
In een transparante markt is alle informatie voor iedereen gelijk beschikbaar. Dit is per definitie onmogelijk omdat wanneer er nieuws bekend wordt gemaakt in bijvoorbeeld Japan, een Japanse handelaar deze informatie eerder krijgt dan iemand in Nederland, vanwege het simpele feit dat hij dichter bij de bron zit. Japan en Nederland liggen ongeveer 9000 kilometer uit elkaar. Als informatie via het internet optimaal verstuurd wordt dan hebben we te maken met de beperking van de lichtsnelheid. Indien dit nieuws uit Japan rechtstreeks en zonder tijdsverlies verstuurd zou worden zou het 30 milliseconden duren voordat de informatie in Amsterdam aankomt. 9000 km gedeeld door de lichtsnelheid van 300.000 km PER seconde is 0.03 seconden, ofwel 30 milliseconden (sorry de nerd in mij wil graag de berekening laten zien :). Per definitie is informatie niet gelijk beschikbaar. Daarnaast wordt informatie over het algemeen verkocht en leven we in een zakenwereld waar “on a need to know basis” gemeengoed is. Informatie wordt asymmetrisch (ongelijk) verspreid. De markt is niet transparant. 

Wat gebeurt hier? We baseren het concurrentiemodel van onze economie op een theorie waarvan we aan de basisvoorwaarden niet voldoen. Eerlijk gezegd snap ik het niet. We zijn zo vol van wetenschap en van de consistentie ervan. Hoe kan het dat we ons economische model baseren op de conclusie van een theorie terwijl we niet voldoen aan de basisvoorwaarden van die theorie? Er rest mij niets anders dan te concluderen dan dat onze klassieke economische theorie gebaseerd is op een illusie. 

Ik nodig de lezer van dit verhaal uit om hierop te reageren. Wellicht heb ik iets over het hoofd gezien. Dank voor je tijd en tot over twee weken! 

”All money is a matter of belief” 

 

– Adam Smith 

 

Het vorige en volgende blog in de reeks The Art ot Zen Investing.
Foto’s: Steve K/Greg Raisman, Flickr.com

Tim van der Vliet
Tim van der Vliet is econoom, werkte 13 jaar op de beurs, deed post-doctorale studies (CFA) en gooide ongeveer 3 jaar geleden het roer om. Nu schrijft hij over zingeving. Geïnspireerd door Japan, de stad Amsterdam en door zijn beursleven heeft hij een erg praktische kijk op spiritualiteit ontwikkeld die hij 'Zen from Amsterdam' noemt.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *