Arminius: zijn leven en nalatenschap

Keith D. Stanglin – Jacob Harmenszoon, beter bekend als Jacob Arminius, is een bijzondere figuur in de Nederlandse intellectuele geschiedenis en een van de werkelijk grote theologen in de geschiedenis van de Protestantse Kerk.  Het ontbreken van kennis over Arminius en over zijn werk heeft weinig te maken met een gebrek aan historische betekenis; het heeft eerder simpelweg te maken met het algehele verlies aan historisch bewustzijn in het Westen.  

Desalniettemin kunnen we een lichte groei in de wetenschappelijke en publieke belangstelling voor Arminius waarnemen,  waarmee een einde komt aan de onwetendheid over en de misvattingen rond zijn persoon. Laten we ons hier beperken tot een korte samenvatting van zijn leven, zijn gedachtegoed en zijn nalatenschap.

Arminius werd geboren rond 1559 in Oudewater. Zijn vader stierf voordat hij was geboren en zijn moeder en broer(s) en/of zus(sen) kwamen om het leven in de massamoord die de Spanjaarden daar in 1575 aanrichtten.  Arminius studeerde in Marburg, Leiden, Genève en Basel, waarna hij vijftien jaar als gereformeerd predikant werkte in de Oude Kerk in Amsterdam.  Naar aanleiding van zijn prediking over de Romeinenbrief,  kwam hij onder vuur te liggen vanwege zijn relatief optimistische kijk op het leven van christelijke heiligheid en vanwege zijn opvattingen over de predestinatie. In 1603 verruilde hij zijn predikantsschap in Amsterdam voor de Theologische Faculteit in Leiden, die een beroep op hem deed.  Gedurende zijn professoraat daar raakte Arminius betrokken bij een conflict met zijn collega’s aan de faculteit – in het bijzonder met Franciscus Gomarus – over de doctrine van de predestinatie.

Het gereformeerde geloof leerde dat God bepaalde mensen had voorbestemd voor veroordeling en anderen voor onweerstaanbare redding. Arminius huldigde daarentegen de opvatting dat God alle mensen had geschapen met het oog op redding, dat genade een niet onweerstaanbare kracht is en dat God alle mensen uitverkiest die zijn genadige gift accepteren.  Voor veel van zijn tijdgenoten ondermijnde deze denkbeelden echter  de alomvattende soevereiniteit van God.  Arminius worstelde met dezelfde problemen als waarmee theologen van eeuwen voor hem zich hadden bezig gehouden –  het herstel van de goddelijke soevereiniteit,  genade en het recht doen aan menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid;  het probleem van het kwaad en het waarom van het lijden;  en de zekerheid van redding.  Zijn oplossingen ten aanzien van deze kwesties vormden de basis voor zijn theologie en leidden deze in een andere richting dan de meeste van zijn gereformeerde tijdgenoten.  Vanwege deze afwijkende opvattingen werd Arminius voortdurend in de gaten gehouden door gereformeerde theologen, die hem verdachten van prediking in strijd met de belijdenis en de catechismus van de kerk.  Hij leverde een bijdrage aan verschillende conferenties in een poging om de betwiste kwesties tot een oplossing te brengen, maar zonder resultaat.  Hoewel hij bij zijn dood in 1609 een goede relatie onderhield met de Universiteit van Leiden en met de gereformeerde kerk,  was zijn naam in bepaalde kerkelijke kringen al synoniem met ‘ketterij’.

Binnen een paar weken na de dood van Arminius tekenden vierenveertig  gereformeerde predikanten die sympathiseerden met zijn theologie, de Remonstrantie van 1610.  Die tekst verwoordde hun standpunt over enkele dogmatische kwesties waarover verschil van mening bestond. De heftige debatten tussen remonstranten en contra-remonstranten mondden uit in de Synode van Dordrecht (1618 – 1619),  waar de remonstranten werden verbannen en hun gedachtegoed veroordeeld. Deze kerkvergadering kon de invloed van Arminius echter niet uitbannen.

De Remonstrantse Broederschap is gedurende vierhonderd jaar in Nederland blijven bestaan als de drager van de Nederlandse Arminiaanse theologie.  De invloed van Arminius wordt zelfs nog sterker gevoeld binnen het Anglo-Amerikaanse Protestantisme en de geest van het Arminianisme is  verspreid waar ook maar dit soort van evangelicalisme heen is gegaan.  Soms draagt de overlevering weinig overeenkomsten met Arminius zelf.  Maar of men nu Remonstrant is of conservatieve evangelical, ongeacht hun relatie tot Arminius:  Arminianen zijn erfgenamen van een onderscheidende erfenis.  Deze erfenis kent vele facetten, enkele ervan zijn het waard om hier nader uit te werken.

Arminius’ persoonlijke motto was ‘een goed geweten is het paradijs’  (bona conscientia paradisus). Deze gedachte betreft niet alleen het religieuze geweten, maar evenzeer het morele geweten.  Met goede daden kun je God niet beïnvloeden, maar je dient ze zeker ook niet na te laten. Dit impliceert dat er geen plaats is voor aardse zekerheid in het christelijke leven.  G.J. Hoenderdaal  wees op het sterke ‘praktische’ karakter waarvan de theologie van Arminius doortrokken is.  G.J. Heering spreekt van het sterke ethische karakter van de remonstrantse theologie en Wesleyaanse groepen staan bekend om hun nadruk op de heiligheid van het leven en het nastreven van perfecte liefde. 

Arminius stelde, meer dan de meeste theologen in de Nederlands – Gereformeerde Kerk, de bijna onaantastbare autoriteit van de belijdenis en de catechismus van de kerk ter discussie.  Belijdenissen moeten een ondergeschikte rol spelen in de theologie, zo meende hij, in het bijzonder als ze steeds gedetailleerder worden uitgewerkt.  De eerste remonstrantse belijdenis, geschreven door Simon Episcopius, opent dan ook met een uitgebreide inleiding, waarin de rol van de belijdenis en de verwerping door de remonstranten van het verplichte lidmaatschap worden uitgelegd.  Remonstranten en evangelicale Arminianen stellen in navolging van Arminius dat de Schrift hun enige grondbeginsel is en dat belijdenissen geen absolute autoriteit hebben.

Een andere kenmerk van de Arminiaanse erfenis is de erkenning dat we niet alles kunnen weten, dat we de waarheid niet in pacht hebben. Het gevolg hiervan is de nadruk op het streven naar eenheid and tolerantie.  Remonstrant H.Y. Groenewegen wijst op Arminius als iemand die dan wel niet ‘radicaal brak met alle dogmatisme’, maar toch wel een ‘afscheid van het dogmatisme’ representeerde. Arminius had een eenheid van geloof in gedachten die C.S. Lewis  later een ‘onversneden christendom’ zou noemen. De remonstrantse professor Arnold Poelenburg schreef in 1659:  ‘Maar dit is het ereschild van het remonstrantisme, de kroon op onze glorie, omdat we dit schisma niet hebben veroorzaakt,  geen schisma hebben toegevoegd en ieder schisma als zodanig afkeuren. Maar wij roepen allen die Christus  liefhebben, allen die het Evangelie volgen, op om met ons toe te treden tot de gemeenschap van vrede.’ Arminius zelf was de stem van deze christelijke eenheid en tolerantie in een tijdperk waarin dat niet populair was en zelfs gevaarlijk. 

Arminius heeft zowel in de diepte als in de breedte vier eeuwen lang grote invloed uitgeoefend  op de protestantse kerken. Om die reden verdient hij meer wetenschappelijke en publieke aandacht dan hij meestal krijgt. Die situatie is recentelijk verbeterd door het verschijnen van enkele publicaties over hem, maar er moet nog veel gebeuren.  De geschriften  van Arminius zelf, inclusief de brieven die nog nooit zijn getransscribeerd,  zouden bijeen gebracht moeten worden in een kritische editie en dan vertaald.  (Inderdaad, met uitzondering van één toespraak die hij in het Nederlands hield,  zijn de geschriften van Arminius nooit vertaald in zijn moedertaa). Wetenschappers kunnen immers alleen een helder beeld krijgen van de context en het perspectief waarop zijn studies van de theologie  en de implicaties voor vandaag de dag moeten worden gebaseerd,  als de volledige breedte van zijn geschriften in ogenschouw wordt genomen. Of men zich nu wel of niet met Arminius identificeert,  hedendaagse christenen kunnen veel leren van een diepgaande studie van een van de meest invloedrijke theologen in de protestantse kerk.

De meest natuurlijke pleitbezorger van de bestudering van Arminius is professor Marius van Leeuwen. Als professor in de remonstrantse theologie, is hij de meest nabije erfgenaam van Arminius nalatenschap en bekleedt hij dezelfde positie als  de student van Arminius, Episcopius. Professor Van Leeuwen heeft, naast zijn vele andere interesses en bezigheden, de studie van Arminius en het Arminianisme gestimuleerd en er zijn eigen bijdragen aan geleverd.  Hij organiseerde in 2009 bijvoorbeeld een internationaal congres in Leiden over dit onderwerp en was mede-uitgever van het conferentieboek. Dit boek is een belangrijke bron geworden voor de bestudering van Arminius.  Het was een groot genoegen met hem samen op te trekken binnen dit project.  En het was een eer om Marius te leren kennen en gedurende de afgelopen acht jaar op verschillende manieren met hem samen te hebben gewerkt. 

Keith D. Stanglin
Austin Graduate School of Theology, Austin, Texas, USA

(vertaling Michel Peters) 

 

 

Claudia Pietryga
Claudia deed zowel een sociaal-agogische als journalistieke opleiding en is alweer bijna tien jaar freelance journalist. Ze schrijft het liefste over maatschappelijke onderwerpen en publiceerde onder meer stukken in de Flair, Hallo Jumbo, Spits, Het Parool, diverse blogs, lokale bladen en uiteenlopende (online) media voor met name ondernemers.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *