Als je van je hart bent afgesneden, ben je niet vrij

Het aangezicht van de dorpskern verandert ingrijpend. Er zijn veel kerken die sluiten en doelloos leeg staan. Banken en postkantoren, van oudsher gemakkelijk te vinden binnen een straal van 350 meter van een kerkgebouw, sluiten hun loketten en zoeken hun toevlucht in de onzichtbaarheid van cyberspace. Tel daarbij de leegstand van winkelpanden op en je ziet hoe de dorpskern, van oudsher een verzameling alledaagse ontmoetingspunten, verloren raakt in de nationaal verspreide ketens van de Blokkers, Albert Heijns, Jumbo’s, Etossen en Kruidvatten.

Het is de Duits-Joodse filosofe Hannah Arendt (1906-1975) die opmerkte dat er iets met de mens gebeurt als de wereld om hem heen instabiel en onherkenbaar wordt, of beter, verloren raakt in anonimiteit. De wereld, zegt Arendt, is een continuüm: zij was er voordat we geboren werden en zij zal voortleven nadat wij naar gene zijde vertrokken zijn. Maar als er aan die continuïteit getornd wordt, neemt ons gevoel van ontheemd zijn navrant toe. Je hebt dat wel met Vinexwijken die in een oogwenk uit de grond gestampt worden. De ene keer denk je je weg nog te weten. Nog geen week later vraag je je op dezelfde plek af waar je je in vredesnaam bevindt temidden van zojuist opgetrokken betonnen kolossen. De omgeving is onherkenbaar geworden: de punten waarvan je dacht dat het ijkpunten waren, verdwenen.

Een plek om te leven
In haar boek The human condition (1958) schildert Hannah Arendt af hoe met de val van het Romeinse Rijk het besef tot de mensheid doordrong dat wat met mensenhanden gemaakt is, overgeleverd is aan vergankelijkheid. De ineenstorting van de wolkenkrabbende Twin Towers op 11 september 2001 had hetzelfde onthutsende effect: hoe kwetsbaar zijn de met mensenhanden gestapelde stenen.

Het feit dat niets blijft zoals het is en onze vertrouwde omgeving al eveneens aan voortdurende veranderingen (the everchanging world) onderhevig is,  maakt dat we moeite hebben ons thuis te voelen in de wereld die we paradoxaal genoeg zelf gebouwd hebben.

Arendt, gevlucht in de Tweede Wereldoorlog naar de veilige haven die the New School for Social Research in New York City haar bood, vergeleek zichzelf weleens met de Ark van Noach, dobberend in een oceaan van onzekerheid. Ook noemde zij zichzelf meer dan eens ‘Das Mädchen aus dem Fremde’.

Het is belangrijk een plek te hebben om te leven. Een plek waar je geen Tom Tom behoeft, maar je blindelings de weg weet.

Verschil maken
In een wereld die met de minuut verandert en tegelijk steeds eenvormiger wordt, is het niet vreemd dat identiteit al sinds enige tijd hoog op de agenda staat. Mensen, bedrijven, organisaties en instituten vragen zich af hoe en op grond waarvan zij zich kunnen onderscheiden. De roep om te differentiëren, daar weten onderwijsgevenden alles van. Vandaar dat die ook allerwegen klinkt: maak verschil! Maar je kunt alleen verschil maken in contrast met iets. Als we met z’n allen verschil maken, wordt het verschil opgeheven. Dan is ieder voor zich zo ‘eigenaardig’ geworden dat de gemeenschappelijke grond, de bodem van onderling verstaan is weggevallen. Dat is wat Hannah Arendt the collapse of our common sense noemt. Niet alleen ontbreekt het ons aan een overkoepelend en gedeeld referentiekader waarin we onze ervaringen kunnen duiden. Ook schiet ons morele kompas tekort in het beoordelen van dingen die in de wereld gebeuren en gebeurd zijn.

De opkomst van de naoorlogse massamaatschappij die ons zo uniform heeft gemaakt (denk bij voorbeeld eens aan de sjablonen van een gelukt leven; de curve waaraan een leerling dient te voldoen), ging merkwaardigerwijs hand in hand met individualisme. De emancipatie van het individu, bevrijd van externe gezaghebbende bevoogding, heeft dat individu ook op zichzelf terug geworpen. Dat individu wordt, nu hij het (leven) zalf kan maken, beschouwd als de oorsprong van eigen successen en falen.

En zo kan het gebeuren dat autonomie, authenticiteit en identiteit samen het dominante refrein van deze tijd zijn geworden. Ondertussen klinkt in de coulissen het lied van verlangen naar verbinding, naar een plek van toebehoren. In de taal van scholen: er wordt geknokt voor plaatsen waar saamhorigheid tot stand kan komen in een overheersend klimaat dat prioriteit geeft aan de cijfermatige prestatie van de individuele leerling en leerkracht. Over dat laatste en even scherp gesteld: alleen als je de Cito-score, of die acht, haalt, tel je mee, hoor je erbij. Hierin zie ik hoe het verlangen naar toebehoren, of zo je wilt: saamhorigheid, geperverteerd wordt. Wonderlijk ook, hoe die individuele prestatie, gevat in een getal, tegelijk die individualiteit opslokt in uniformiteit.

Leven managen
Het woord autonomie verwart me. Tegenwoordig roepen we dat we de regie van ons eigen leven in handen willen hebben. Het leven lijkt wel een project te zijn geworden waarvoor we competenties moeten ontwikkelen die datzelfde leven kunnen managen. Competenties zoals we die in het lager en hoger onderwijs kennen, zijn dan ook gericht op de ontwikkeling van het individu. Dat mijn vaardigheid een respons oproept van de wereld, valt buiten dit pakket. Ja, dat mijn menszijn a priori medemenselijkheid betekent, lijkt niet meer in het vizier te kunnen komen – voor dit laatste hebben we gedragsregels die we moeten opvolgen (maar dat is dus weer iets heel anders dan het ontwikkelen van een vaardigheid). Wie zijn eigen leven onder de loep neemt, weet dat op cruciale momenten onze oorspronkelijke geaardheid – dat wat wij met zijn allen delen – op de voorgrond treedt. Namelijk dat wij aangewezen zijn op de ander. Het geeft te denken dat die ‘afhankelijkheid’ tegenwoordig vaak vertaald wordt in termen van ‘de ander tot last zijn’. Terwijl, het is simpelweg common experience dat de aanwezigheid van die ander een bron van verdriet en van vreugde is. Ik ben niets zonder die ander.

We doen dan ook maar alsof we zelf in ons uppie kunnen wikken en beschikken, kunnen beslissen over leven en dood. We doen alsof, maar dat schept wel degelijk een werkelijkheid waar wij dagelijks mee te maken hebben. Dit alsof is een managementtool waarmee wij de werkelijkheid willen – en wellicht ook kunnen – manipuleren. Maar diep in ons hart heerst het besef dat dit niet levensecht is. Ik signaleer dan ook een verscheurdheid in onszelf tussen uiterlijk vertoon in autonoom gedrag en een beleefde aangewezenheid op elkaar. In het laatste – en ergste! – geval wordt er aan toegevoegd: dan stap ik er nog liever uit.

Laat ik voorlopig concluderen dat er geen autonomie bestaat in de zin dat wij het laatste woord hebben in het reilen en zeilen van onze levensweg. Wij vertonen slechts autonoom gedrag. En dit verwarren we weleens met de ervaring van vrijheid. Maar als je van je hart bent afgesneden, ben je niet vrij.

Authenticiteit en kwetsbaarheid
Het geeft te denken dat juist als iemand laat zien dat er grenzen zijn aan het maakbare leven velen meteen roepen hoe authentiek die mens is. Dat zul je niet snel horen zeggen over een bankier of over functionarissen die met succes een fusie hebben afgerond. Authenticiteit lijkt vooral te floreren daar waar we vanuit onszelf laten zien dat een mens nooit en te nimmer zich mag laten vangen in welk systeem dan ook. Ik vind het trouwens bijzonder hoe woorden als authenticiteit en kwetsbaarheid bijna als synoniemen worden gebruikt. Misschien omdat authenticiteit alleen dan authentiek is als we onze bewapeningen laten vallen en zodoende kwetsbaar (te kwetsen) zijn? Die openheid toont met terugwerkende kracht aan hoe gesloten we zijn als we in systemen opgaan. En ook hoe broos en poreus onze eigenheid, identiteit in wezen is. Helemaal niet hard en welomschreven.

Opnieuw dient architectonisch Nederland mij hier om aan te tonen hoe verwarrend identiteitsontwikkeling kan zijn. Worden dorpskernen bedreigd door  onttakeling en uniformiteit. Je ziet ook wijken de grond uitschieten waarin elk huis een andere kleur heeft, een afwijkende hoogte van die van de buurman. De ramen zijn dikwijls smal (waarom eigenlijk?) en er zijn vaak bruggetjes. Dat de wijken onderling niet met elkaar verbonden zijn en je eerst een wijk uit moet, wil je je in de belendend gelegen wijk toegang kunnen verschaffen, laat ik maar even buiten beschouwing. Waar het me om gaat is wat het palet van een kleurrijke variëteit te zeggen heeft. Want het is wel duidelijk dat hier ernst wordt gemaakt met de eigenheid van elke woning. En toch roept het een eenvormig beeld bij me op. Er zijn lege straten, iedereen is naar het werk, kinderen naar school. Een (buurt)winkel is in geen velden of wegen te bekennen. Eigenlijk weet ik niet zo goed waar ik ben tussen deze prachtig roze, lichtgele en blauwe huizen. Ze verschillen zo van elkaar dat ik ze niet uit elkaar kan houden. Van wijlen psychiater P.C. Kuiper heb ik geleerd dat de variatie op het thema (dat wat verbindt) eigenheid moet uitstralen, maar het moet niet zo eigenzinnig zijn dat je de verbinding met het thema niet meer herkent. 

Tja, het thema (zo je wilt, de kern) wat was dat ook alweer? Daar moeten we het maar weer eens over hebben. De volgende keer dan maar.

Foto: Mtcv/Wikimedia Commons

Karin Melis
Karin Melis (karinmelis.nl) is filosoof, docent, publicist en gesprekspartner. Ze is in de eerste plaats een toehoorder: pogend te delen wat ze ontvangen heeft en te horen wat anderen haar te zeggen hebben. Altijd verkennend, immer onderzoekend.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *