Aan de stilte voorbij

Sinds Anja Meulenbelts boek De schaamte voorbij, lijkt er geen einde te komen aan het aantal boektitels waarin het woordje “voorbij” voorkomt. Na de democratie, het fatsoen, de cultuur en de grote verhalen lijkt zo’n beetje alles wat er toe doet voorbij te zijn. Een vreemde gewaarwording. Terwijl dat alles toch alleen maar uitdrukkingen zijn van iets anders.

Waar komt die behoefte toch vandaan om aan alles een einde te willen maken? Willen we van iets voorgoed af omdat we er klaar mee zijn? Wordt alles de mens van de 21e eeuw teveel? Of is het misschien een motief om er na het afscheid van alles weer met een goed gevoel en veel onbevangener ook dan eerder het geval was als nieuw nu naar terug te kunnen keren? Zoals in het anatheïmse – the return to God after God? Van mijn buurvrouw, die een cateringbedrijf had en uitstekend kookte, heb ik de wijsheid opgedaan dat smaken steeds weer tijdens het koken teruggeroepen kunnen worden. Wat je ook in de soep doet ze zijn nooit voorgoed voorbij Maar daarover straks meer.   

Zo als een mens behoefte heeft aan de afwisseling van licht en donker, zo hebben wij ook behoefte aan de afwisseling van stilte en geluid. Klanken worden uit stilte geboren. Het spreken en het musiceren lijken aan de stilte te worden ontlokt. Elke kunstenaar is bekend met het voorrecht van de stilte. De stille plek waar het wonder van woord en van klank geschiedt. Het gaat dan om een bijzondere stilte, een stilte die ruimte maakt voor energie en concentratie. Want niet elke stilte is hetzelfde. Er bestaan verschillende soorten stiltes. Zo is er de stilte van de verbijstering, van het stilvallen. Het tekort aan woorden, dat optreedt bij  inslaande gebeurtenissen. Of ook de stilte van het met stomheid geslagen zijn. De Russische schrijver Leo Tolstoj wees altijd een stille plek in zijn tuin aan als hij wilde vertellen over de plaats waar hij geboren was. Hij duidde op de tak aan een boom, een stille anonieme plek in de natuur, als zijnde zijn geboorteplaats. Vroeger stond daar hun huis. Hij wilde daarmee aangeven dat deze stille tak hem meer aanspraak als geboorteplaats: het feit dat de mens door geboorte individu wordt zag hij als een tragische breuk in de stille verbondenheid van de mens met het geheel van de natuur.

In kerkdiensten, in de opbouw van de liturgie, kennen wij ook stiltes die van uiteenlopende aard en oorsprong zijn. De stilte waarin wij ons voorbereiden op het begin van de dienst:  oefening en gelegenheid om werkelijk aanwezig te zijn; om wat ons afleidt even op te schorten. Een begin van concentratie op wat komen gaat. Misschien ook een vorm van ontlediging voordat de kaars wordt aangestoken en wij deel uitmaken van een nieuwe ruimte, waarin wij ons wijden aan een andere realiteit.

Maar we kennen ook de stilte tussendoor: de witregels van de liturgie. Het zijn de sprekende stiltes die kracht en intensiteit verlenen aan het geheel van beweging, klank en ruimtebeleving. Alleen al het feit dat je in een kerk een ruimte betreedt zoals je die zelf thuis niet bezit, maakt deze ruimte tot een weerbare ruimte, die ontvankelijk maakt tot iets wat ongewoon is en daarmee aanlokkelijk en aantrekkelijk wordt.

We kennen de stilte na de overdenking met daarna de improvisatie op het gehoorde door onze organist. Een mogelijkheid tot eerste bezinking, verkenning, en overweging. In het laatste gedeelte van de liturgie de stilte voor persoonlijke meditatie en gebed. Een ruimte die in de loop der jaren is gegroeid en nog steeds aan betekenis blijft winnen. In de liturgie staat eigenlijk elke stilte in het teken van afstemming op wat ons ten diepste aangaat en bezighoudt. In de bedding van onze gezamenlijke verbondenheid. Niet teruggeworpen op jezelf, maar in de gevoelde en beleefde aanwezigheid van anderen. Ieder beleeft dit op een eigen manier, maar in het besef van een gezamenlijk gebeuren dat niemand onberoerd laat. In de stilte komt iets mee wat je niet zelf hebt bedacht. Een inval, een afzien, een gevoel, een woord, of een klank hoe klein ook, die dieper reikt. Die soms heel even in het oog van de stilte reikt, Het is dan soms alsof je in de stilte een stilte hoort vallen. De stilte is de bron en oorsprong van elke liturgie. De liturgie die in al zijn verscheidenheid klassiek de getijden werd genoemd. Voor onze innerlijke afstemming. Bedding voor ons dagelijks leven. Met de woorden van Jan Wit: als wij de getijden niet hadden, dan waren wij aan de tijden overgeleverd.
In het oog van de stilte valt soms alles even op zijn plek. Wordt eeuwig ogenblik. 

In de bijbelse voorstellingen van God wordt de of het Ene altijd op de rug gezien. Het is een mooie manier om te vertellen dat God of het goddelijke in de ervaring niet voorkomt. Vincent van Gogh schrijft in zijn brieven – die minstens zo boeiend zijn als zijn schilderijen over het achteraf van de religieuze ervaring.. Van dit voorbij vormen zijn schilderijen de spetterende neerslag. Alsof kleuren aan de voorbijgegane stilte van een diep ervaring zijn ontlokt. Alle smaken worden tevoorschijn geroepen dank zij de zoete vruchten die hij plukte van een groot schilderstalent. Zoals mijn buurvrouw die een voortreffelijke kok is. Als je de goeie smaak niet meer terug kunt krijgen in een gerecht doe er dan maar gewoon een flinke schep suiker in. En ik herinnerde mij opeens mijn Surinaamse vrienden van de studentenflat die veel basterdsuiker in de erwtensoep deden om het onzichtbare zoutende zout erin tot spreken te brengen. Zoet zout – dan valt alles even op zijn plek. Of het nu in smaak, of in kleur of in woord of in dans wordt gevangen achteraf. Alles heeft zijn plaats zijn tijd.

 

Heine Siebrand
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *